Week van de Stad


Binnenstad: Het volkse is er nog steeds

Thema Publicaties  - 4 november 2016

In de Driehoekbuurt, het stukje Jordaan aan de noordzijde van de Lindengracht, zijn de panden miljoenen waard. Toch wonen en werken er nog échte Jordanezen.

Achter hun gids aan loopt een groepje Amerikanen slagerij Louman binnen, op de hoek van de Goudsbloemstraat en de Tweede Goudsbloemdwarsstraat. Ze maken een Jordaan Food Tour, een wandeling langs acht adresjes met lokale specialiteiten, à raison van 101 euro per persoon. Verbaasd luisteren ze naar de uitleg over de verschillende vleessoorten op het plankje: liver sausage, boiled sausage, ossenworst, that’s the typical jewish sausage from Amsterdam. Awesome, vinden ze deze typische mam and dad shop.

Welkom in pretpark Amsterdam, zou je op het eerste gezicht zeggen, maar daarmee zou je Frans Louman, wiens opa hier in 1890 begon, geen recht doen: hij verwerkt nog steeds complete koeien en varkens van kop tot staart. Het grootste deel weliswaar in het westelijk havengebied – ‘vroeger deden mensen de deur gewoon dicht als ik worst rookte, nu bellen ze de brandweer’ – maar ook hier ter plekke wordt nog gewoon uitgebeend. Zes man heeft hij in dienst, ze wonen allemaal buiten de stad: Almere, Landsmeer, Purmerend. ‘Amsterdam is een kantorenstad aan het worden. Ik zou er zo iemand bij kunnen nemen in de opleiding, maar mensen hier willen niet meer met hun handen werken.’

Louman is geboren en getogen in de Driehoekbuurt, die loopt van de noordzijde van de Lindengracht tot het puntje bij de Brouwersgracht. In de negentiende eeuw heette dit nog buurt QQ, waar Franse Padts werd gesproken, het dialect dat was vernoemd naar de volkse benaming van de gracht die later de Willemsstraat zou gaan heten. Het was een overbevolkte buurt, alleen in de Willemsstraat had je al 56 gangen: smalle, doodlopende stegen met krotten, die door schrijver Israël Querido ‘straatdarmen’ werden genoemd. Nu staat het pand Willemsstraat 43 – waar vroeger de Wildemansgang lag – te koop voor 2,4 miljoen euro.

De gentrificatie rukt op, geld stroomt de buurt binnen, ook kleine bovenwoningen gaat weg voor grof geld. En toch is het volkse niet verdwenen en is er nog steeds een mix. Niet alleen van verschillende soorten mensen, maar ook van functies. Neem de buurman van het miljoenenpand, de Stichting Tot Heil des Volks. Daklozen zijn hier drie dagen per week welkom voor een kop koffie. Voordat de deuren opengaan, zitten ze vaak bier te drinken op het bankje dat Basilico, de Italiaanse traiteur op de hoek, buiten heeft gezet. ‘Die gekken maken alles smerig’, foetert eigenares Sabrina Tagliapietre, terwijl ze met een tandenstoker peuken tussen de klinkers uit zit te peuteren. Een yup die nergens tegen kan? Een onderneemster die alleen op geld uit is?

Sabrina komt uit Venetië, ze bleef hier hangen nadat ze haar broer had verpleegd die aan aids overleed en nu zit ze al 21 jaar op deze hoek. ‘Ik wil hier nooit meer weg’, lacht ze met een krakerig rokershoestje. Bang dat de daklozen haar klanten wegjagen is ze niet, welnee, die komen echt wel. Haar poetsdrift is eerder een teken van integratie, Jordanezen houden niet van vuiligheid.

Een paar deuren verder zit de garage van Paco en Rob, gespecialiseerd in BMW-motoren. Ze zitten er pas zestien jaar, maar het is zo’n werkplaats uit een film: klein, gemoedelijk, tussen de middag zijn ze dicht, dan wordt er geluncht. De motoren die ze binnen niet kwijt kunnen, stallen ze op de stoep. Paco: ‘Maar wel zo dat kinderwagens erlangs kunnen. Je houdt rekening met elkaar, zo nemen wij voor de hele buurt pakjes aan, het is hier soms net een postkantoor.’

Het gaat goed met de werkgelegenheid in de Driehoekbuurt, de afgelopen acht jaar verdubbelde het aantal bedrijven bijna, het aantal werkzame personen steeg met bijna de helft. De groei zit vooral in winkels, kantoren, voorzieningen en horeca, ‘echte’ bedrijven hebben het moeilijk. In de Driehoekbuurt nam de werkgelegenheid bij bedrijven juist met 15 procent af, terwijl die gemiddeld in de binnenstad met 5 procent steeg. Waarschijnlijk is het de nabijheid van de Brouwersgracht die de huurprijzen opdrijft en de productiebedrijven wegjaagt.

Paco is daar niet bang meer voor: ‘Vorig jaar werd ons pand verkocht, de eigenaar was schappelijk, hij had een ton meer kunnen vragen, maar hij gunde het ons. Een vriend van ons heeft het toen gekocht als belegging en die vraagt gewoon een eerlijke huur.’

Bezit van het pand blijkt bij meer bedrijven in de buurt cruciaal te zijn. De Italiaanse Sabrina kon 16 jaar geleden genoeg geld lenen om haar pand te kopen, ook Louman heeft zijn pand in bezit, ‘anders kan het niet uit’. Maar het beste voorbeeld is misschien wel jeneverstokerij De Ooievaar, iets verderop in de Driehoekstraat. Hier zwaait de derde generatie Van Wees de scepter over een ouderwetse stokerij, alles ambachtelijk. Het geheim? Cees van Wees: ‘Hard werken en geen geleend geld.’ Loop een rondje door de Driehoekstraat en je komt terecht in een wereld van binnenplaatsen die nog als parkeerplek worden gebruikt, lage huizen, werkplaatsen. Natuurlijk probeerden projectontwikkelaars de stokerij te kopen. Van Wees: ‘Waarom zou ik dat doen? Genoeg is meer dan veel.’

Nog altijd zijn er dus Mohikanen die standhouden, maar onmiskenbaar tekent de verandering zich af en verschuift de aard van de bedrijvigheid. Zoals kapper Coup d’Etat twee deuren links van de motorzaak van Paco en Rob: hippe naam, glimmend zwart marmer, lekkere espresso. Duur vindt eigenaar Jeffrey het pand dat hij huurt niet: ‘Mijn klanten komen uit de grachtengordel en hier zit ik zo ongeveer op de Brouwersgracht.’ Maar ook restaurant Geef aan de overkant, waar klanten zelf bepalen wat ze betalen, kan de huur opbrengen.

Rijkdom en werkgelegenheid blijken goed samen te gaan, klanten krijgen immers meer te besteden. Maar volgens slager Frans Louman was er in de Jordaan altijd geld: ‘Vrouwen hadden ’s morgens een werkhuis, dus was er geld voor wat lekkers. En nog steeds: de Jordanezen kopen ribstuk en laten het sudderen tot het draadjesvlees is, de import braadt het op 52 graden en noemt het Côte de Boeuf.’ Geen kwaad woord over de expats en yuppen die hier zijn komen wonen – ‘Ze zijn hartstikke lief en maken dolgraag een praatje’ – maar ze blijven zo kort, vindt Louman: ‘Je ziet hun kinderen later niet terugkomen in de winkel, je weet niet wie hun ouders waren.’

Mix

De Driehoekbuurt is een van de 23 buurten van de binnenstad die nog goed gemengd zijn. Hier vind je een combinatie van jong en oud en van geboren en getogen Amsterdammers en nieuwe stedelingen (net als de rest van de binnenstad is de buurt overigens wel erg wit). Ook de woningen zijn een mix van koop, corporatie en huur. Zelfs wonen en werken zijn hier in balans: op elke tien bewoners zijn er bijna negen arbeidsplaatsen.

binnenstad-mix

Tijs van den Boomen

Het Parool, 22 oktober 2016

Meer berichten uit
Publicaties